Alleen de zon gaat nog gratis op.
Eigenaars van vastgoed moeten zich in 2026 op een hogere belastingdruk instellen. De jaarlijkse onroerende voorheffing, berekend op basis van het kadastraal inkomen (KI), stijgt tot gemiddeld 2,47 procent. Dit is het gevolg van de standaard jaarlijkse indexering van het KI, het fictieve cijfer dat de huurwaarde van een woning bepaalt en als basis dient voor de belasting. Het indexeringscijfer wordt berekend op basis van de gemiddelde consumptieprijzen van het voorgaande jaar.
De absolute stijging verschilt van gezin tot gezin. Niet alleen het KI, maar ook het gemeentelijk belastingregime en de gezinssituatie bepalen het uiteindelijke bedrag.
Fiscale plafonds voor 2026 bekend
Op basis van dezelfde indexering zijn ook de nieuwe fiscale grensbedragen vastgesteld. Deze cijfers zijn relevant voor de belastingaangifte die in 2027 wordt ingediend.
Volgens fiscalist Jef Wellens van Wolters Kluwer stijgen de bedragen gemiddeld met 2,47 procent. Door wettelijke afrondingen kunnen de werkelijke stijgingen - zo lezen we in ‘De Tijd’ - iets hoger of lager uitvallen. Sommige plafonds zijn nog niet definitief, omdat aangekondigde overheidsmaatregelen zoals de verhoging van de belastingvrije som, de indexering van kinderbijslagtoeslagen en het huwelijksquotiënt nog niet zijn omgezet in wetgeving.
Impact op gezinnen
Voor ouders betekent dit concreet dat de kosten voor kinderopvang en buitenschoolse opvang deels fiscaal aftrekbaar blijven, met een maximaal dagtarief dat stijgt van 16,9 naar 17,3 euro per kind. Jongeren mogen bovendien meer inkomsten hebben om fiscaal ten laste te blijven van hun ouders; het plafond gaat van 12.000 naar 12.300 euro.
Walen en Brusselaars profiteren daarnaast van een lichte stijging in het aankoopbedrag voor PWA- en dienstencheques, tot 1.890 euro, met belastingvoordeel. Vlaanderen handhaaft de afschaffing van dit voordeel.
Mobiliteit en werk
Voor werknemers van wie de werkgever een milieuvriendelijke bedrijfswagen ter beschikking stelt, betekent de indexering een hogere belastingdruk: het minimale belastbare voordeel stijgt met 40 euro naar 1.690 euro per jaar. Wie naar het werk fietst, krijgt daarentegen een klein voordeel: de maximale belastingvrije vergoeding per kilometer stijgt met 1 cent tot 37 cent, en de jaarlijkse vrijstelling van 3.610 naar 3.700 euro.
Het maximumbudget voor een mobiliteitsbudget – waarmee werknemers hun bedrijfswagen kunnen inruilen voor groenere alternatieven – stijgt van 16.875 naar 17.244 euro. Daarnaast kunnen werkgevers collectieve loonbonussen iets hoger belastingvrij toekennen: tot 3.701 euro tegenover 3.622 euro in 2025.
Bevroren fiscale plafonds
Niet alle plafonds volgen de indexering. Tot en met het aanslagjaar 2030 blijven enkele belangrijke fiscale voordelen onveranderd. Zo blijft de belastingvermindering voor pensioensparen op het niveau van 2025: wie 1.050 euro of minder stort, krijgt 30 procent vermindering; wie 1.350 euro stort, 25 procent.
Andere bevroren plafonds betreffen onder meer: langetermijnsparen (2.450 euro), belastingvermindering voor werkgeversaandelen (820 euro), vrijstelling van intresten op spaarboekjes (1.020 euro) en vrijstelling op dividenden (833 euro).
(Foto: Pixabay)